Verwoesting en vernieuwing

Durven we op te heffen en los te laten? Ik was laatst in een bos. Er had een grote brand gewoed. Deze had alle stammen zwart geblakerd. Veel bomen overleefden (niet alle), en liepen uit door opnieuw kleine takjes en naalden te laten groeien. Maar het dichte bos met de dichte kronen was verdwenen. Er kwam hierdoor licht op de bodem. En zie: er kwamen heel veel jonge boompjes op en heel veel andere planten. Vernieuwing kon, doordat het oude plaats maakte.

We hebben vernieuwing nodig, domweg omdat de wereld verandert. We zijn met meer mensen dan ooit, en vertrouwde manieren van produceren, ons verplaatsen, voedsel genereren, en zorg verlenen volstaan niet meer. Echte vernieuwing kan echter niet zonder de prijs van loslaten en opheffen. En ja, dan is er een periode dat het oude er niet meer is en het nieuwe zich nog niet ten volle toont. Een kale boel. Maar hoeveel kansen heeft een nieuwe, duurzame technologie als we blijven investeren in de oude vertrouwde, vervuilende industrieën die licht en lucht (geld, subsidies etc.) van de vernieuwing afnemen? Een organisatie heeft geen toekomstperspectief, geen wendbaarheid en slagkracht als alle teams, produkten, diensten en functies (en mensen) in de organisatie moeten blijven.

De uitdaging voor leidinggevenden is dan ook om verder te kijken dan het nu en morgen (‘managen’) en het eigen team. Om als ‘leiders van een ongewisse toekomst’ steeds opnieuw te herijken: is mijn team, is mijn functie, is mijn organisatie nog dienend, of hebben we een radicale vernieuwing nodig waarvoor ik, wij, plaats moeten maken omdat we anders de vernieuwing in de weg staan? Dat vraagt de kunde om met het oog op het grotere geheel steeds opnieuw het bestaansrecht te herijken van de verschillende ‘delen’, en het lef te hebben om niet alleen op te richten maar ook op te heffen. Dat zie ik nog niet veel in leiderschapsprogramma’s en leiderschapscompetenties naar voren komen, en vraagt wellicht ook om andere beoordelingscriteria van leiders?